Loopbaan


Na een niet al te vlotte middelbareschoolcarrière (afwisselend HBS en mulo) heb ik scheikunde gestudeerd in Utrecht (1969 - 1975). Afgestudeerd in de vakken Analytische chemie/toxicologie, milieukunde en recht van de ruimtelijke ordening. Een vakkencombinatie die mijn belangstelling goed weergeeft, maar in die tijd niet zonder slag of stoot aanvaard werd.


Van 1975 - 1979 werkte ik als promotie-onderzoeker bij prof.dr. H. Van Genderen. Vrijwel de enige chemicus tussen dierenartsen en biologen, heel leerzaam. Omdat mijn sterke en zwakke kanten maar beperkt aansloten bij mijn omgeving, ontwikkelde ik er vrij snel een eigen onderzoekslijn. Met behoud van de onderzoekstitel “Vervuiling van de rivier de Rijn” verbreedde ik het onderzoek van fact finding naar een meer conceptuele aanpak. Ook de eerste resultaten gaven daar aanleiding toe: er bleken zoveel stoffen aantoonbaar in het Rijnwater, dat een voorspellende aanpak zinvoller leek dan een analytisch chemische. Dat leidde tot twee hoofdlijnen in het onderzoek:


Beide onderzoekslijnen bleken verrassend succesvol:


Het onderzoek werd in 1979 afgerond met een proefschrift en werd beloond met internationale “awards”, in 1981 (Secotox Research Award) and 1996 (International QSAR Award). De artikelen waarin de bevindingen zijn gepubliceerd, blijken na 30 jaar nog steeds te worden geciteerd in de wetenschappelijke literatuur. Google maar op mijn achternaam en één van de woorden toxicity/qsar/mixture om daarvan een indruk te krijgen.


Omdat mijn belangstelling voor de milieuproblematiek niet alleen theoretisch, maar ook praktisch was, heb ik mijn loopbaan voortgezet in het beleid, bij het toenmalige Ministerie van Volksgezondheid en Milieu (later VROM, nu I&M). Van 1980 - 1987 heb ik meegewerkt aan de ontwikkeling van de Wet Milieugevaaarlijke Stoffen, eerst als deskundige, later afdelingshoofd. Een geweldige leerschool. Naast de nationale beleidsontwikkeling was ook internationale harmonisatie een belangrijke opdracht. Uiteraard was de Europese Unie hiervoor een belangrijk platform, maar de beste herinneringen bewaar ik aan de activiteiten binnen de OESO. Ik heb in veel werkgroepen van het Chemicals Programme deelgenomen, eerst als deskundige, later ook als voorzitter.


In 1987 ben ik overgestapt naar het Ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur (nu VWS), om het Nederlandse toezicht voor Good Laboratory Practice (GLP) op te zetten. Ik was via de OESO bij dit onderwerp betrokken geraakt en mijn internationale contacten maakten me de aangewezen persoon om deze klus te klaren. GLP is een systeem om te waarborgen dat het onderzoek naar de veiligheid van chemische stoffen, geneesmiddelen, bestrijdingmiddelen e.d. betrouwbaar wordt uitgevoerd. Na enkele jaren functioneerde dit systeem in Nederland uitstekend. Ons nationale toezicht werd erkend door de Japanse en Amerikaanse overheid en Nederland speelde een vooraanstaande rol in de OESO-brede afstemming van het toezicht.


De volgende stap in mijn loopbaan (1991) markeert de overgang naar full time management, in verschillende rollen op het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Eerst als hoofd van het Laboratorium voor Toxicologie, later als hoofd van het Stoffen Expertise Centrum (SEC). Het SEC was een bijzonder centrum: nergens in de wereld werd op één plek zo’n breed scala aan risicobeoordelingen uitgevoerd: risico’s voor mens én milieu, van industriële stoffen, bestrijdingsmiddelen, consumentenproducten, genetisch gemodificeerde organismen, enz.


Inhoudelijk heb ik in die rollen risicobeoordeling als wetenschappelijke discipline proberen te versterken: kwantitatiever, minder intuïtief. Dit proces had ik, met mijn toenmalige collega’s, overigens op VROM al opgestart.


Als manager heb ik de oriëntatie van het centrum op de buitenwereld en de ondernemende geest versterkt. Dat leidde tot een flinke groei in tijden van een (toen ook al) krimpende overheid. Een belangrijke les die ik zelf leerde, is dat management steeds een mix is van loslaten en vasthouden. Als vader had ik dat natuurlijk al lang moeten begrijpen!


In 2006 verliet ik het RIVM en vestigde me als zelfstandig consultant. De meeste activiteiten die ik sindsdien heb ondernomen, zijn samen te vatten onder de term kennismanagement. Voorbeelden daarvan zin het projectmatig ondersteunen van de expertiseontwikkeling voor voor nationale autoriteiten en voor risicobeoordeling in Oost-Europa (de nieuwe EU-lidstaten), het evalueren van beschikbare expertise rond bepaalde thema’s, het ondersteunen van strategische beslissingen over outsourcing etc. Daarnaast treed ik regelmatig op als voorzitter van werkgroepen, strategische bijeenkomsten e.d. en als sparring partner voor managers.


Vanaf 2014 ben ik niet langer beschikbaar voor projectmatige werkzaamheden.



Professional