1876

Herinneringen van Gerrit Könemann

”Dit is het geboortejaar van mijn vader Gerrit Könemann in Rotterdam, zoon van Johann Heinrich Könemann en Aagje van Leeuwen. De ouders van Johann Heinrich zijn naar mijn weten Duitsers geweest, maar dat zal wel een gemengd huwelijk zijn geweest, want Johann Heinrich was geen Duitser meer, maar omdat precies te weten moeten we eigenlijk naar het archief van Rotterdam, wat ik  had moeten doen toen ik met het schrijven van dit stuk begon, maar nu wordt het me een beetje te veel.


Johann H. en Aagje kregen twee kinderen en wel een meisje dat Cor genoemd werd en Gerrit. Johann H. was dus mijn grootvader en om dat verder dan maar als betiteling te gebruiken dus “Opa”. Het huwelijk van Opa en Oma liep niet helemaal over rozen en er waren nogal eens strubbelingen, waarschijnlijk door de dorstige aard van Opa. Tante Cor was de oudste van de twee kinderen en daarna kwam in 1876 Gerrit. Net voor die tijd was het weer eens mis in dat huwelijk en gebeurde het dat Opa (moet ik hem nog langer zo noemen) zijn vrouw Aag van de trap heeft geschopt zonder dat daar wat aan te doen was. Opa zal waarschijnlijk weer te veel gedronken hebben. Kort daarop werd mijn Pa geboren en tot schrik had hij aan de linkerkant van zijn lichaam opgetrokken spieren, waardoor van zijn voet en ook zijn linkerhand de tenen en vingers wat opgetrokken waren en niet zo goed bruikbaar. Nu zou de medische wetenschap daar beslist wat aan gedaan hebben, maar in 1876 was de medische wetenschap nog niet zo ver of was dat alleen voor de smallere beurzen zo, want ziekteverzekeringen waren er nog niet en dan gebeurde er niet zo veel op dat gebied. Al spoedig na de geboorte van Gerrit was het weer mis in het huwelijk en ging Opa er maar weer een poosje tussenuit en trok dan het land en misschien wat Duitsland door en verdiende dan zijn brood en snaps met timmeren, want dat was zijn beroep.


Mijn Oma is in die tijd overleden en de twee kinderen bleven alleen achter. Tante Cor was de oudste en wel een aardig kind om te zien en die was dan ook welkom bij de familie Van Leeuwen, waarschijnlijk een oom en tante van de kinderen. Die hadden in Rotterdam een café en dat was dan wel makkelijk om zo’n meisje erbij te hebben, maar voor die kleine jongen die ook nog een handicap had hadden ze geen plaats in hun café. Dus Gerrit werd ondergebracht bij de Maatschappij van Weldadigheid, die zich inzette voor minder validen en ook voor gevangenen in het Noorden van het land, die instelling bestaat nu nog o.a. in Veenhuizen.


Er was direct nog geen oplossing voor de kleine Gerrit en hij werd in het oude mannenhuis (kindertehuizen nog niet aanwezig) ondergebracht. Mijn  Pa wist daar helemaal geen leuke dingen over te vertellen, alleen maar narigheid. Hij moest zicht buiten bij de pomp wassen en af en toe kwam er iemand om hem eens goed te wassen met een borstel en groene zeep en vooral het hoofd kreeg een goede beurt, waarschijnlijk tegen de hoofdluis. Hij was toen ongeveer 5 à 6 jaar en ik hoor hem nog zeggen “Die pomp stond onder een afdak en dat was ook de ruimte waar een doodskist onder geplaatst werd als er een van de ouderen overleden was, wat natuurlijk nogal eens gebeurde. Hij moest dan langs die kist heen om bij de pomp te komen. Van al deze ellende en voor hem moeilijke dingen gaf hij zijn vader de schuld omdat die teveel gedronken had en Gerrit heeft al heel vroeg besloten om nooit alcohol te drinken, wat ook niet gebeurde, dan eenmaal met een vergissing, toen hij pils heeft gedronken, waarover later.


Gelukkig voor hem hadden ze een pleeggezin voor hem gevonden en wel in Frederiksoord, bij een familie De Nekker die daar een kleine boerderij hadden. Die familie heeft voor Gerit alles gedaan, hij was gewoon een zoon voor hun en hij heeft het daar heel erg naar zijn zin gehad. Gerrit ging daar ook naar school en heeft de lagere school met goed gevolg doorlopen.


Hij kreeg daar een prachtig met de hand geschreven rapport van, niet met cijfers van 1 tot tien maar een mooi bedrukt papier met vermelding:

Nederlandsche Taal: Zeer goed

Schrijven:                  Heel mooi

Rekenen:                   Uitmuntend


De bewoording kan ik me nog herinneren, want het hing ingelijst aan de muur in de slaapkamer. Tot mijn spijt is dit document op latere leeftijd verloren gegaan. Gezien dat rapport kwam het schoolhoofd bij de fam. De Nekker om te zeggen dat Gerrit zo goed leren kon dat hij maar door moest leren om dan onderwijzer te worden. Helaas werd door De Nekker besloten dat dat niet kon gebeuren, hij moest maar een vak leren dan had je een goed bestaan. Wat waren de vakken voor een jongen met een kleine handicap, dat was toe schoenmaker of kleermaker, dat kon hij met zijn lichaam wel aan.


Hij kwam in de buurt bij een kleermaker in dienst waar hij rijgdraden eruit mocht halen en oefenen op een lapje. Hij heeft het allemaal onder de knie gekregen en trok van de ene zaak naar de andere en heeft in Enschede gewerkt, hij was inmiddels volwassen geworden. Op de vrije dagen ging hij weer naar huis in Frederiksoord.


Door de godsdienstige opvoeding bij de familie De Nekker kwam hij in Enschede ook bij het Leger des Heils terecht waar hij ook bij een muziekkoor was. Het was dus daar voor hem een plezierige tijd waar hij later veel over praatte. Hij was dan ook bij zijn baas in de kost en had daar een klein slaapkamertje. Dat beviel hem niet langer en hij besloot om te verhuizen naar Apeldoorn en daar voor zich zelf te beginnen, wat ni9et zo makkelijk ging en er dus voor een winkel wat bij ging werken. In die tijd ging hij niet meer naar het Leger des Heils, maar is hij terechtgekomen in de Vergadering van Gelovigen, waar ook de familie Hartgers uit Klarenbeek aanwezig was met een mooi stel dochters. Die meisjes hadden ook een stel broers en waren allemaal kinderen van Willem Hartgers en Koosje Kalberg. De namen van de meisjes waren: Mina, Heintje, Wim en Everdina. De jongens waren Evert, Hendrik en Johan, die was de jongste van het gezelschap. Maar Gerrit werd verliefd op Everdina, wat dus ons aller moeder is geweest. Gerrit woonde inmiddels al in een huis, waar hij de kleermakerij beoefende. Willem Hartgers ging ook van Klarenbeek naar Apeldoorn, waar hij dan voorging in de “Vergadering”, Willem Hartgers was goed thuis in de Bijbel. Hij werd dan opgehaald door twee freules, die dan met paard en rijtuig kwamen voorrijden, hij had dus bij de freules een streepje voor. Hij raakte door al dat preken soms een beetje in de war en moest dan naar Zutphen voor een rustkuur, wegens ‘bijbelziekte”, dat is tenminste de naam die ik ervoor gekregen heb. Om alleen in dat huis te wonen was ook maar niets en daar kwam dus een trouwpartij van met Gerrit en Everdina.


Gerrit was op een leeftijd dat je nog toestemming moest hebben van zijn vader, die nog leefde, en anders kon je met een volmacht trouwen. Voor alle zekerheid eerst maar een volmacht aanvragen en hij kreeg die van de Gemeente Apeldoorn. Toe is hij op zoek gegaan naar zijn vader en heeft hem, geloof ik, weer gevonden in Rotterdam en hij wou wel komen naar Apeldoorn, maar hij was zo in verval dat Gerrit hem nog even een nieuw pak moest maken, dat hij er een beetje netjes bij liep. Na het huwelijk is hij meteen weer vertrokken en kreeg van Gerrit een timmerkist mee met de boodschap om dan te gaan werken en zich go9ed te gedragen. Volgens Gerrit is de timmerkist echter omgezet in sterke drank. Het gekke is dat ik nooit heb gehoord dat hij zijn zuster heeft gevraagd voor het huwelijk, waarom??


Die zuster was inmiddels ook getrouwd met Jan Kop en had drie dochters. Maar die zus en broer hebben nooit veel omgang met elkaar gehad. Bij Everdina en Gerrit kwam een jaar nadat ze getrouwd waren een dochtertje kijken en ze noemden haar Johanna Jacoba. Zo werden er nog geboren Willem, Herman en Everdina, die 3 dagen na haar geboorte is overleden in het jaar dat Prinses Juliana geboren is. Alle moeders in Apeldoorn die in diezelfde week een kind kregen, kregen een luiermand die tot mijn moeders grote spijt niet meer nodig was. Ze heeft de luiermand dan ook spoedig weer weggegeven aan een kennis die hem wel nodig had. In het trouwboekje kun je zien dat er twee Everdina’s zijn, want een jaar alter kwam er weer een Everdina bij, maar toen was er geen luiermand meer.


In Apeldoorn woonde alle familie van Everdina Könemann-Hartgers, waar ze allemaal goed mee overweg konden. Heintje was getrouwd met Jacob Nellestein, met één dochter Marietje en 2 pleegkinderen. Ze woonden op de Langeweg op het Loo. Oma Hartgers is overleden toen ze 52 jaar oud was, dus niet zo erg oud geworden. Opa Hartgers is nadien bij Heintje in huis geweest, maar was ook al vaak zo moe dat hij om vier uur weer naar bed ging. Waarschijnlijk was hij toen al dement. Verder woonden de andere broers en zusters ook in Apeldoorn, waarvan tante Wim voor mij, die in Apeldoorn echter nog niet bestond, een grote rol heeft gespeeld en die was met een aardige man getrouwd, Johan van de Kamp, die een eigen meubelmakerij had, waar ik dan ook graag logeerde. Evert woonde op de hei, wat ik me nog herinneren kan en dat zijn vrouw op de knieën rond kroop om te  vegen en dat haar zoons bij haar op de rug kropen en dan riepen “hop paardje”. Later is die tante in Zutphen opgenomen in het gekkenhuis, wat toen tegenover het station was gelegen.


Tante Mina was getrouwd met Cornelis Verbeek een schoenmaker,  die ook drie zoons had die niet goed oppasten. Mina stond bij de familie bekend als een beetje brutaal en niet eerlijk. Hendrik Hartgers had ook een zestal kinderen en werkte bij de Talens fabrieken. Hij was daar ook chauffeur bij de directeur van Talens en woonde dan ook naast de fabriek. Johan, de jongste,  was van alle markten thuis en had in een ommezien diverse beroepen gehad, wat helemaal niet wou lukken. Toen was er nog een oplossing, als koloniaal naar Ned. Indië, waar hij het wel goed deed en nog een paar bevorderingen maakte en daar trouwde met een halfbloed, Tante Bets. Opa Hartgers is overleden in 1917, dus toen waren beide ouders Hartgers overleden.


Inmiddels ging de kleermakerij in Apeldoorn niet meer zo naar wens en werd er naar ander werk uitgekeken en gevonden in Ootmarsum, waar hij ook voor een winkel werkte en voor zijn eigen rekening. Dat gebeurde ongeveer in 1912. In het jaar 1915 ben ik, Gerrit Könemann Jr., daar geboren, tot groot ongenoegen van mijn zus Jo, zoals Johanna Jacoba altijd genoemd werd. Ze wist niet eens dat ik komen moest en hoorde bij de school dat ze er een broertje bij had gekregen, wat haar helemaal niet aanstond, want dat jong huilde almaar en dan moest ze de wieg weer schudden, maar dat was haar eigen schuld, het was nl. een ijzeren wieg waar een schroef aanzat en die heeft ze zelf losgedraaid en dat schijn ik erg lekker te hebben gevonden. Dus “eigen schuld, dikke bult”. Het huis waarin ik geboren ben staat nu nog aan de weg naar Denekamp en schijnt toen een nieuw huis te zijn geweest want nu in 200 staat het er nog netjes bij. Er stonden 8 woningen, 4 aan de grote weg en 4 aan een zijstraatje. Ik schijn daar achter het huis al rondgekropen te hebben en dan kreeg ik van de buurvrouw een lekker stukje pannekoek, wat ik echter na 84 jaar me niet meer kan herinneren.


Hoewel Ootmarsum een heel aardig plaatsje is, werd er toch in 1916 besloten om wat anders te gaan zoeken. Als reden gaf mijn vader op, dat er voor de kinderen geen toekomst was. In de omtrek waren alleen maar fabrieken en daar mocht je beslist niet naar toe gaan. Gelukkig zijn de meningen nu anders over. Na het werk daar afgerond te hebben en het geld geïncasseerd, gingen ze vertrekken uit Ootmarsum. Pa had werk gevonden als thuiswerker bij Peek en Cloppenburg in Zutphen waar echter geen leeg huis te vinden was en werd er in de omtrek gekeken en ja daar was wat, valk bij de kerk in een groot oud huis wat eigendom was van Slatink, die daar een drogisterij in had “De Gaper” wat ook aan de gevel hing. Er stonden grote kastanjebomen bij het huis. Nu in het jaar 2000 heb ik een Cd-rom gekregen van het hele dorp Brummen, ook met een afbeelding van de toren en de kerk. Nu staat er bij het huis een echtpaar met 2 kinderen, ik moet dat nog proberen te vinden wanneer die foto gemaakt is, mogelijk sta ik er zelf bij op, maar met een vergrootglas was het niet te ontdekken.


Mijn Pa maakte broeken en vesten voor P en C, die hoefden niet gepast te worden. Bij aflevering op zaterdag ging de coupeur alles nameten en als dat allemaal goed werd bevonden kon hij naar het kantoor gaan om geld te halen. Nu was een thuiswerker een baan waarbij je, als het niet druk was in de winkel, minder werk kreeg en als je helemaal niet kon door ziekte, dan kreeg je helemaal niets. Een verschrikkelijk bestaan. Nu dat gebeurde: mijn vader kreeg een ongeluk met de fiets en heeft tijden niet kunnen werken, dus tijden geen inkomen. Ik kan me die tijd niet herinneren, maar van mijn zus Jo hoorde ik dat ze naar de kruidenier moest voor een beetje raapolie en wat meel, dan werd er pannekoek gebakken, voor brood geen geld. Ze kregen af en toe wat steun van de Vergadering uit Zutphen en van de fam Breukink, waar inmiddels het huis van was, hoefden ze geen huur te betalen. Al met al geen beste tijd voor het gezin Könemann. Als ze een paar maal achter elkaar olie en meel haalden vroeg de kruidenier aan Jo: “Houden jullie zo veel van pannekoeken?” Maar die tijd ging ook weer voorbij en dus weer aan het werk.


Nu moesten we echter verhuizen, want Slatink moest een grotere winkel hebben en we gingen verhuizen naar de “Krulstraat” die veel jaren later werd omgedoopt in Tuinstraat. Daar en in de Kruisenkstraat werden er nieuwe huizen gebouwd. Tijdens de bouw ging de aannemer failliet en werden de huizen door een tweede aannemer afgemaakt, maar op een manier waar ze zich voor schamen moesten, revolutie. Ondanks die slechte staat hebben wij er nog jaren in gewoond, ikzelf tot aan mijn trouwen.


De jaren tot ongeveer mijn tiende zijn voorspoedig verlopen en het was gezellig in huis, wat ook kwam doordat mijn moeder nog leefde en die deed dat. Mijn oudste broer Willem was ook kleermaker geworden en zo zaten ze dus samen op de kleermakerstafel broeken te maken en samen te zingen en te fluiten. Ik hoor mijn broer nog zingen in Latijn, want hij was op de christelijke zangvereniging Klosogela, wat goed bij hem paste want Klosogela is: Komt Laat Ons Samen Onze God Een Lied Aanheffen en dat lag helmaal in zijn aard. Jo had ook een betrekking bij een villa, als “tweede meisje”, die moest het eten opdienen met een wit mutsje op haar hoofd. Broer Herman was stoffeerder geworden en werkte eerst in Brummen bij Kip, een vliegende behanger. Later in Zutphen bij Van der Veen. Dien en ik huppelden er ook nog bij en gingen naar de lagere school. Nu zou je denken dat we eigenlijk naar de Chr. School zouden gaan, maar nee, daar kreeg je een verkeerde leer. Nu, op de Openbare kreeg je helemaal geen leer!


Zo ging dat allemaal door tot ik 10 jaar was. Willem was inmiddels het huis uit en werkte eerst in Zwolle en later in Wijk bij Duurstede. Moe begon toen ernstig ziek te worden na een heel lange tijd van allerlei kwaaltjes. Naar een ziekenhuis ging je toen niet voor een onderzoek. Wat haar precies gemankeerd heeft weten we niet. Slecht hart en nieren en misschien nog wat meer. Ze lag op een bed in de kamer en wij zaten meestal in de kleermakerij, daar was het warm en voor mijn moeder wat rustiger. In die tijd was het ook hoog water in de IJssel en brak de dijk door zodat het water tot in het dorp stond en de boeren in Cortenoever allen moesten verhuizen met hun vee. Het begon te vriezen, zodat we konden schaatsen. De laatste zondag had ik ook gereden en ik kwam opgetogen in huis en zei “Ik kan beentje over”, maar er was niemand die daar blij mee was. Mijn moeder had bezoek van 2 vrouwen en was gezellig met ze aan het praten en zakt daarbij achterover in bed en was overleden. Zuster Mina (de wijkverpleegster – hk) had al tegen Pa gezegd dat het wel vlug zou aflopen, wat hij nog niet in de gaten had. Jo en Willem waren in die tijd ook thuis gekomen, zodat we er allen bij waren. De begrafenis heb ik niet bijgewoond. Ik werd met een buurmeisje naar een kennis gebracht waar ze verschillende dieren hadden. Later hoorde ik dat ze op het kerkhof zo mooi hadden gezongen, mee door het aanwezig zijn van de Vergaderingmensen uit Zutphen.


Na dat heengaan van mijn moeder brak er voor ons ook een hele nare tijd aan, doordat mijn vader ontslag kreeg als thuiswerker bij P en C. Waarschijnlijk omdat hij niet katholiek was. Jo had na het overlijden eerst de huishouding gedaan, maar dat was met een jonger zusje van 15 niets gedaan en Jo zei dan ook tegen mijn vader dat er wat veranderen moest: “Dien eruit of  ik.” En mijn vader zei “Nou dan ga jij er maar uit” en dat is gebeurd. Zij weer in betrekking en Dien deed de huishouding. Dat ik nu kan aardappelschillen is niet gek, want ik moest het toen ook leren. Mijn Pa heeft toen voor verschillende zaken gewerkt maar het was heel vaak armoede, zodat we geen kolen konden kopen en als je ze wel kocht, dan in het voorjaar betalen, als er weer werk was in de kleermakerij. In die tijd ging mijn broer Herman in Bussum werken en misten wij ook nog het geld dat hij inbracht. Ik was inmiddels 13 jaar en ging in april van school af  na acht klassen l.o. Gelukkig heb ik nadien wat bijgeleerd, maar lang niet voldoende.


Ik had inmiddels een baan als stoffeerder gekregen, maar ik mocht daar niet aan beginnen voor ik veertien jaar was, wat in juli gebeurde. Vijftien juli 1929 begon ik te werken en moest kussens naaien en dat lukte omdat ik in die paar maanden bij Pa moest werken in de kleermakerij. Dat helpen bestond uit rijgdraden uithalen en verder knoopsgaten maken in een oud lapje, maar dat bevorderde wel mijn naaikunst!  Toen de week om was en ik 48 uur mijn best had gedaan kreeg ik een gulden voor mijn prestatie! Acht weken had ik gewerkt en dus 8 gulden bijeengespaard en ik kreeg een paar nieuwe schoenen, wat goed uitkwam, want de oude schoenen waren een paar maten te klein en ik moest er ’s morgens op stampen om erin te komen en kreeg dan zere kromme tenen. Mijn broer Wim zei op de begrafenis van mijn vader: “Ik kreeg het laatste tientje van mijn Pa om in Brussel te studeren.” Ik heb hem gezegd: “Ja, maar ik had er liever een paar schoenen voor gehad”, waar hij heel gek van op keek. Maar dit was er even tussendoor. Jo, mijn zus, had toen omgang met een Duitser Erich Steier, die in Brummen op de “Beckerson” werkte. Een flinke fabriek, waar ze weegwerktuigen maakten voor apothekers enz. Er werkten daar veel Duitsers, dat hebben wij in 1940 kunnen merken. Die omgang ging echter niet door daar de ouders van Erich in Duitsland een andere vrouw voor hem hadden uitgezocht. Jo hield van die jongen en zat nadien in de narigheid en wou ook niet langer in Brummen blijven en trok ook naar Bussum, haar broer achterna en kwam in betrekking als dienstmeisje. Er was ook een kindermeisje en het duurde dan ook niet lang of broer Herman ging trouwen met dat kindermeisje, dat jammer genoeg dertien jaar ouder was dan Herman. Jo was er dus helemaal niet over te spreken. Herman begon met zijn vrouw een meubelzaak, met een compagnon. Die was na enkele jaren failliet, de compagnon had enkele dingen niet verteld en Herman moest opnieuw beginnen. Jo had inmiddels ook een vriend gevonden en dat was Theo Brouwer, een bakker van formaat. Wij konden dus in Bussum en Naarden gaan logeren, maar het liefst gingen we naar Naarden naar Jo en Theo.


Gerrit sr en Gerrit jr


In Brummen bleven we maar met ons drieën over en na een arme periode kwamen we langzamerhand in een iets betere situatie, want Pa verdiende weer wat meer en ik gaf ook mijn portie. Dat heeft mij weerhouden om ook eens wat anders te zoeken, wat ik wel graag gewild had. Maar ook hield mij iets anders vast. De heer Slijkhuis beloofde mij dat ik de zaak wel kon overnemen. Ze hadden geen kinderen en ik viel in een goed blaadje. De klanten van de zaak zeiden vaak: “Daar komt Arie Slijkhuis ook aan met zijn zoon” en dan genoot Arie Sl. In 1934 brak de mobilisatie uit en kregen we een leger in Brummen om de IJssel te verdedigen en diverse huizen waren door de soldaten bezet. Bij de IJssel stond dan ook één kazemat en op de laatste bocht stond een kanon. Verder hadden alle soldaten een geweer, nu dan kunnen wij de Duitsers wel de baas.


Wij hebben in Brummen niet veel van de oorlog gemerkt, al werd direct de Beckerson door de Duitsers gevorderd. Want daar wouden ze in de loop van de tijd granaten gaan maken voor het Ned. Leger en die werden dan in de Hembrug van lading voorzien. Dat kwam de Duitsers dus goed van pas. Dien had ook omgang met Tony de Hoog uit Dieren die voor 1940 ook soldaat was in Lienden in de Betuwe. Ook Gerrit jr. ging na diverse probeerselen met jullie aller zeer bekende Riek van Lenthe, waar hij mee getrouwd is, na een nare periode met Dien, waar de verloving van af knapte. Ze zouden over enkele dagen gaan ondertrouwen en ik had al diverse dingen voor hun gemaakt. Dat was voor ons en hele nare tijd met een huilende Dien en ze kwam er maar niet overheen. Een jaar later trouwden wij zelf en Dien liep huilende de kerk uit. Maar door aan het werk te gaan bij mijn oude vriend Berend Hamer, waar ze hoeden opmaakte en met andere meisjes omging, werd dit weer wat beter. Berend Hamer vroeg of zij een hoedenwinkel wou beginnen in Deventer, wat ze graag accepteerde en zo verhuisden Pa en Dien naar Deventer, Vermeerstraat 12.


Wij zaten al een poos in onze zaak en hadden inmiddels een stationcar waar we op een zondag mee naar Amsterdam gingen met Oom Henk, Tante Tiny en onze kinderen, die er inmiddels ook gekomen waren, waar we veel plezier van beleefden. Wij waren in Amsterdam bij de kennis-klant net aan tafel gaan zitten om te eten, toen er een paar agenten aan de deur kwamen om te vragen of er ook een Könemann aanwezig was. Toen hoorden we de boodschap dat we naar Deventer moesten gaan, want het was niet goed met Pa Könemann. De kinderen hebben we achtergelaten en zijn met Oom Henk spoorslags naar Deventer gereden, waar we hoorden dat Pa overleden was. Dood in de stoel blijven zitten na dat ze samen koffie hadden gedronken. Een hele schrik, zo zonder ziekbed, maar in onze ogen wel te verkiezen. Hij was 82 jaar. Een mooie leeftijd zeiden onze kennissen. Hij is in Deventer begraven in het bijzijn van zijn kinderen.


Tante Dien bleef alleen achter en verhuisde dan ook spoedig naar een bovenwoning, waar ze in ruste nog wat jaren heeft gewoond. Ook daar kregen we een naar telefoontje van een buurvrouw van Dien, of we maar naar Deventer wilden komen, want Dien zat zo raar in de stoel te kijken. Toen we daar aankwamen vroeg die buurvrouw of we eerst maar even binnen kwamen, waar we hoorden dat Dien al drie dagen dood in de stoel had gezeten. Meteen werd er gebeld en kwam de ziekenauto voorgereden. Wij samen eerst naar boven, waar  we haar zittende aantroffen, wat niet erg naar was om te zien. De dokter had haar ook zo aangetroffen met een brief in de hand en de bril nog afgezakt op haar neus. Bril en brief lagen op tafel. Wat een schrik! Ze is ook in Deventer begraven in het graf van Pa.


Het is geen mooi einde, maar ik moet het toch vermelden. Mijn broer Wim is met een auto-ongeluk overleden en Herman aan een heel nare ziekte, zodat van de familie Könemann alleen Jo en ikzelf nog in leven waren. Jo heeft na het sterven van Theo in een verzorgingshuis gewoond en mopperde maar wat, want ze kon helemaal niet meer naar Spanje of zo, want daar hield ze zo van. Op haar 92sste  jaar is ook die uitgestapt en die is in het jaar 2000 gecremeerd. Nu ben ik nog in mijn eentje over van de familie Könemann, wat wel een beetje kaal is.


Gelukkig hebben we in de loop der jaren acht kleinkinderen gekregen, die ik niet hoef op te noemen, die kennen jullie allen. Goed 20 jaar geleden hebben we nog een huis gebouwd aan de Kruisenkstr. 48, waar we nog heel tevreden met elkaar wonen. We mopperen wel wat op elkaar, maar dat gemopper duurt nooit lang en we leven gezellig. Op onze oude dag hebben we van Dick ook nog een computer gekregen waar we druk op aan het oefenen zijn en waar ma gelukkig aan mee doet. Het is natuurlijk fout na fout, maar het gaat ook wel eens goed. Ik zal proberen dit verhaal uit te typen en besluit mijn verhaal met voor jullie de beste wensen.


Jullie Vader en Opa Gerrit


Gerrit Könemannn overleed op 29 november 2006










Noot:


Toen pa deze ‘memoires’ schreef , dacht hij nog dat zijn grootvader uit Duitsland kwam, het bleek zijn overgrootvader te zijn. Wel juist lijkt zijn schets van de minder florissante levenswandel van zijn grootvader Johann Heinrich Könemann (geb. 6-07-1849). In 1882, leidde deze tot zijn arrestatie wegens diefstal. Na zijn veroordeling door de Rechtbank in Den Haag, werd hij opgesloten in de strafgevangenis te Goes. Daar werd het volgende signalement van hem opgetekend:


Signalement:

Zeeuws Archief, strafinrichting Goes

Inventarisnummer 62, Inschrijvingsnummer 362






Persoonsgegevens


Naam

Johan Heinrich

Geslacht

mannelijk



Vader

Johann Heinrich

Handtekening

J.H. Könermann (!)

Moeder

Cornelia v Bregge


(In geoefend handschrift)

Geboorteplaats

Rotterdam



Laatste woonplaats

id



Ouderdom

32 jaren



Echtelijke staat

ongehuwd



Gewone taal

Hollandsch



Beroep of betrekking

timmerman



Godsdienstgezindte

Geref







Lengte

1.54 meter



Aangezicht

rond



Voorhoofd

klein

Veroordeeld wegens

diefstal

Mond

id



Ogen

blauw

Uitspraak

23 Maart 1882,

Haar

blond


Gerechtshof ‘s Hage

Kleur

gezond

Straf

Eenzame opsluiting van drie maanden

Overgenomen en ingeschreven

den .. (17?) April 82

Neus

gewoon


Kin

breed


Wenkbrauwen

blond


Baard

geschoren

3 Maart 1882

Proc Gen

’s Gravenhage


Ontslagen den 21 Juni 1882

Bijzondere teekenen

geene